Droomproject
Uitgerekend in de periode waarin Hollywood met zijn massa’s aan boekverfilmingen en vervolgfilms verweten wordt op zijn hoogtepunt van onoriginaliteit te zitten, lijkt de Nieuw Zeelandse regisseur Peter Jackson eindelijk klaar te zijn voor zijn grootste uitdaging ooit. En niet alleen hij is er klaar voor. Nadat hij met de onverfilmbaar verklaarde Lord of the Rings trilogie driemaal achter elkaar de meest succesvolle films van het jaar heeft afgeleverd, lijkt ook het publiek ervoor opgewarmd. Immers, de man heeft zichzelf bewezen als meest populaire regisseur van het moment. Wat kan hij nu nog fout doen? Bovendien geldt King Kong als zijn droomproject, hij is ermee opgegroeid. Met zoveel passie kan het bij voorbaat toch alleen maar slagen? Of zou hij zichzelf verliezen in zijn eigen jongensdroom, met als gevolg dat hij de verkeerde keuzes maakt?
Laat het nu precies deze laatste valkuil zijn die zijn nieuwste King Kong versie ervan weerhoudt om daadwerkelijk het briljante niveau te bereiken waar het zo naar streeft. Of, liever gezegd; waar het plots niet méér naar streeft. Na te openen met de ouderwetse oorspronkelijke filmtitels herkenbaar uit het Hollywood van de jaren ’30, toont Jackson ons het New York uit de periode waarin de filmklassieker zijn ontstaan vond. Op meesterlijke wijze wordt er, met op de achtergrond Al Jolson’s Sitting On Top Of The World, een authentiek tijdsbeeld gecreëerd waarin Jackson zijn castleden subtiel laat knipogen naar de avonturenfilms van weleer. En hoewel Jack Black in dit scenario met name zijn onkunde tot het wegschrijven van zijn eigen karakter bewijst (hoe hard hij zijn best ook doet, de komiek blijft altijd zichtbaar), weet Naomi Watts dit met haar perfecte weergave van het klassieke ‘dame in nood’ archetype ruimschoots te compenseren.Met deze eerste akte lijkt Jackson zich meteen al bewezen: het is hem gelukt. Hij heeft feilloos zijn vinger weten te leggen op dat cruciale klassieke sfeertje, terwijl hier tevens zelfverzekerd aan wordt gerefereerd. Bovendien siert hem het geduld dat hij heeft met de personages. Maar liefst ruim een uur wordt ervoor uitgetrokken om het publiek bekend te maken met zíjn versie van de mislukte actrice Ann Darrow (Watts), de sensatiebeluste filmmaker Carl Denham (Black) en de toneelschrijver Jack Driscoll, alvorens ze het leefgebied van de grote aap (Serkis) betreden. Met als bijeffect, door niet direct over te willen schakelen naar de actie, een verhoging van de sfeer.
"Plots verandert de 44-jarige filmmaker in een 12-jarige jongetje."
Jongensavontuur
Echter, zodra de filmcrew is gearriveerd op Skull Island veranderd plots de 44-jarige filmmaker in het 12-jarige jongetje. Blij als een klein kind trekt hij alle mogelijke filmtrucs uit de kast om zijn personages van de ene dinosaurusachtervolging in de andere te gooien. Geloofwaardigheid wordt volledig uit het raam gegooid wanneer Denham en zijn crew temidden van een op hol geslagen horde brachiosaurussen precies tussen de denderende poten door weet te manoeuvreren. Maar hoewel het qua specialeffects duidelijk is dat de meeste aandacht naar de fotorealistische gorilla ging, waarbij de vaak lelijk weergegeven overige dinosaurussen overkomen alsof het specialeffectsteam net iets teveel hooi op de vork nam, is het duidelijk waarom werd gekozen voor deze denderende rollercoasterride: het is gewoon cool. En wat maakt het nog uit of je wenkbrauwen zijn opgetrokken tot aan je haargrens vanwege de enorme loopjes die met de realiteit worden genomen, wanneer het kind in je eigenlijk vooral geniet van het ouderwetse gevoel van avontuur? Een aaneenschakeling van confrontaties met allerlei prehistorische beesten en reusachtige insecten culmineert in het ultieme ‘kleine jongetjes gevoel’ wanneer Kong dan eindelijk, in een magnifieke scène, mag worstelen met de T-Rex, eindigend met een typisch kinderlijk gevoel voor zwarte humor. Hoewel King Kong opent als een streven naar een episch klassiek, romantische avonturenfilm, maakt dit dan ook in de 2e akte vooral plaats voor popcornentertainment van het hoogste niveau. Gelukkig heeft Jackson zijn podium dan al opgezet, waardoor hij zich hier alles kan permitteren, zonder over te komen als een kopie van Steven Spielbergs Jurassic Park of een dom effectenspektakel.Toch vindt al dit jeugdige vermaak zijn wortels in een volwassen liefdestragedie. Prachtig uitgespeeld door Watts en Serkis’ King Kong ontstaat langzaam maar zeker een gedoemde zielsverwantschap tussen de twee, waarbij met name Andy Serkis opvalt door zijn scherpe observatie van het apengedrag. Hoewel hier en daar enkele menselijke trekjes de afkomst van een acteur verraden, blinkt zijn vertolking uit door typisch machogedrag en sterk neergezette primatentrekjes. Serkis maakt het voor het publiek dan ook niet moeilijk om zijn Kong direct in het hart te sluiten, wat de scènes die hij met Watts deelt hartverwarmend maakt, maar de conclusie in de 3e akte in New York des te tragischer. En dat is dan ook, samen met het ‘tongue in cheek’ jaren ’30 avonturensfeertje, de voornaamste reden waarom Jacksons versie van het welbekende verhaal slaagt, waar Guillermin met zijn door Jeff Bridges bevolkte remake faalde: het enthousiasme van de regisseur is in elk facet merkbaar, terwijl er voor Kong een oprecht gevoel voor medeleven wordt gecreëerd. Had de regisseur enkel op de specialeffects vertrouwd, was hij nooit geslaagd. In plaats daarvan biedt hij veel meer: een ouderwets avontuur, gezegend door zijn lengte van 3 uur, met het hart op de juiste plaats.



.jpg)
